De niet-opeisbaarheidsclausule voor de legitieme portie is een standaard onderdeel van ieder langstlevende testament. In de meeste situaties is het onderwerp niet belangrijk. Maar als het er wel toe doet, dan is het verstandig om je te verdiepen in de materie. Wist je bijvoorbeeld dat er meerdere varianten van deze clausule bestaan? Het verschilt per geval welke je moet kiezen.
De wettelijke langstlevende regeling
Als je getrouwd bent en kinderen hebt geldt er tegenwoordig automatisch een langstlevende regeling. Deze houdt in dat de langstlevende en de kinderen samen erfgenaam zijn. Alle bezittingen worden toegedeeld aan de langstlevende en de kinderen erven in ruil daarvoor een geldvordering. In beginsel is deze geldvordering pas opeisbaar na het overlijden van de langstlevende. De wettelijke langstlevende regeling geldt ook voor geregistreerde partners.
Voor samenwoners bestaat er geen wettelijke langstlevende regeling. Samenwoners met kinderen maken daarom vaak een langstlevende testament bij de notaris. Daarin staat normaal gezien een regeling die de wettelijke regeling voor gehuwden kopieert. Alle bezittingen gaan naar de langstlevende en de kinderen erven in ruil hiervoor een geldvordering.
Bij een huwelijk of geregistreerd partnerschap is de bescherming van de langstlevende dus in de wet geregeld. Toch maken ook veel echtparen en geregistreerd partners een langstlevende testament. Meestal is zo’n testament gebaseerd op de wettelijke regeling en worden alleen enkele details gewijzigd. Denk bijvoorbeeld aan het toevoegen van een uitsluitingsclausule, een renteclausule of een opvullegaat.
De minimale rechten van de kinderen
In het Nederlandse erfrecht hebben kinderen altijd recht op een minimaal deel van de erfenis. Dit wordt ook wel de “legitieme portie” genoemd. In beginsel is dit een bedrag gelijk aan de helft van de waarde van het normale erfdeel als de overledene geen schenkingen had gedaan en geen testament had gemaakt.
Neem bijvoorbeeld het geval dat een echtpaar, gehuwd in gemeenschap van goederen, twee kinderen heeft en een huis met een overwaarde van € 300.000. Als de eerste van beide echtgenoten overlijdt bestaat de erfenis uit de helft van het huis. De andere helft is van de langstlevende. Er zijn drie erfgenamen (de langstlevende en beide kinderen). De erfenis is € 150.000 waard en ieder van de drie erfgenamen heeft recht op één/derde, ofwel € 50.000.
De bezittingen van de overledene worden toegedeeld aan de langstlevende. Hij of zij houdt in ruil hiervoor een schuld van € 100.000 aan de beide kinderen. Per saldo erft de langstlevende dus € 50.000 (€ 150.000 aan bezittingen minus een schuld van € 100.000). De kinderen erven ieder een geldvordering van € 50.000. De legitieme portie is in dit geval € 25.000 (de helft van € 50.000). Stel dat één van de kinderen is onterfd. Als dit kind een beroep doet op de legitieme portie heeft het recht op € 25.000.
Voor het hierboven beschreven geval is de niet-opeisbaarheidsclausule voor de legitieme portie opgenomen in de wet. Een onterving in combinatie met de wettelijke langstlevende regeling leidt daarom automatisch tot niet-opeisbaarheid. Het onterfde kind heeft dus pas recht op uitbetaling na het overlijden van de langstlevende.

In andere situaties is de geldvordering van de “legitimaris” al na zes maanden opeisbaar. Neem bijvoorbeeld het geval dat beide kinderen onterfd zijn en dat de langstlevende tot enig erfgenaam is benoemd. De wettelijke langstlevende regeling is in dat geval niet meer van toepassing. Stel dat de kinderen een beroep doen op de legitieme portie. Zonder een uitdrukkelijke niet-opeisbaarheidsclausule in het testament moet de langstlevende de geldvordering van de legitimaris binnen zes maanden uitbetalen!

Hierna volgt een overzicht van situaties waarin het van belang is om een niet-opeisbaarheidsclausule op te nemen in het testament.
1. De wettelijke verdeling is niet van toepassing
De hierboven beschreven langstlevende regeling wordt ook wel de “wettelijke verdeling” genoemd. In ieder langstlevende testament dat afwijkt van de wettelijke verdeling is het van belang om aandacht te besteden aan de opeisbaarheid van de legitieme portie.
Voorbeelden zijn:
- Er is sprake van een zogenoemd “tweetrapstestament”, waarbij de kinderen pas erfgenaam zijn na het overlijden van de langstlevende ouder.
- Alle kinderen zijn onterfd en de langstlevende is de enige erfgenaam. Denk bijvoorbeeld aan het geval dat iemand na een scheiding is hertrouwd en geen contact meer heeft met de kinderen uit het eerste huwelijk.

2. Samenwonend met contract
Eerder heb je al gelezen dat de wettelijke langstlevende regeling niet van toepassing is bij samenwoners. Gelukkig is het wel mogelijk om een langstlevende regeling te maken waarbij de kinderen een niet-opeisbare geldvordering erven.
Samenwoners die één of meer kinderen willen onterven kunnen een niet-opeisbaarheidsclausule opnemen in het testament. Dit heeft tot gevolg dat het onterfde kind de legitieme portie pas krijgt uitbetaald na het overlijden van de langstlevende. Hierbij stelt de wet als voorwaarde dat je een notarieel samenlevingscontract moet hebben.

Wonen jullie niet samen maar willen jullie elkaar wel tot erfgenaam benoemen? Dan kun je overwegen om een geregistreerd partnerschap aan te gaan. Dit heeft als bijkomend voordeel dat je recht krijgt op de grote partnervrijstelling voor de erfbelasting.
3. Betalingsregeling voor de bedrijfsopvolger
Stel dat je ondernemer bent en dat je twee kinderen hebt, waarvan één de onderneming wil voortzetten na jouw overlijden. Je zou in dat geval de onderneming kunnen legateren aan het kind dat bedrijfsopvolger is. Dit kan tot gevolg hebben dat de legitieme portie van het andere kind wordt geschonden. Bij een beroep op de legitieme portie krijgt het andere kind een geldvordering die de bedrijfsopvolger binnen zes maanden moet uitbetalen.
Je kunt dit voorkomen door aan het andere kind (dat geen bedrijfsopvolger is) een bedrag te legateren met een betalingsregeling van bijvoorbeeld 5 of 10 jaar. Als de “contante waarde” van dit legaat tenminste gelijk is aan de legitieme portie, heeft het andere kind (dat geen bedrijfsopvolger is) geen mogelijkheid om je testament aan te vechten.
De wet stelt hierbij als voorwaarde dat zonder deze regeling “de voorzetting van het bedrijf in ernstige mate zou worden bemoeilijkt”. Let op: deze tekst moet woordelijk in het testament worden opgenomen!

4. De “ongeschikte en onmachtige” erfgenaam
Het gebeurt regelmatig dat iemand een kind wil onterven omdat het niet in staat is om zelf de erfenis te beheren. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat een kind verslaafd is en in de schulden zit. Onterving is in dat geval niet de enige optie. Je kunt er ook voor kiezen om een testamentair bewind in te stellen over het erfdeel van het betreffende kind. De door jou te benoemen bewindvoerder beheert de erfenis en zorgt er voor dat het geld verstandig wordt besteed.
In beginsel is een erfdeel met een bewind een zogenoemde “inferieure making”. Dit houdt in dat het kind de erfenis kan verwerpen en in plaats daarvan een beroep kan doen op de legitieme portie. Op deze regel bestaat echter een uitzondering. Je kunt in het testament vermelden dat het kind “ongeschikt en/of onmachtig is om zelf in het beheer te voorzien”. In dat geval is het uitgangspunt dat het kind na een verwerping geen legitieme portie meer kan opeisen.


